Opinie Dick Bennis, gemeente Hoorn: De verenigingen van de toekomst, een steen in de vijver

Opinie Dick Bennis, gemeente Hoorn

In Nederland mogen we ons gelukkig prijzen met een enorm rijk verenigingslandschap met een ongekend bloeiend verleden. Een hoeksteen van onze maatschappij met een onschatbare waarde. De aandacht voor verenigingen is de laatste tijd enorm gegroeid. Op zich natuurlijk een prima ontwikkeling, ware het niet dat deze belangstelling vooral ingegeven wordt door een negatieve trend. Het tekort aan vrijwilligers en bestuurders, de maatschappelijke opgaven die gevraagd worden, de toenemende regelgeving, de veiligheid, de financiën, de zorgen over accommodaties. Allemaal factoren die vroeger nauwelijks een rol speelden, maar die er nu voor zorgen dat veel verenigingen andere zaken op de agenda van de bestuurder moeten zetten dan de pure sportactiviteiten. De aandacht verschuift van de sport naar andere, niet minder belangrijke aandachtsgebieden. Dat op zich is niet erg, het is een ontwikkeling die gaande is en waar je mee om moet gaan. Wat wel zorgelijk is, is dat veel vrijwilligers, de dragers van de verenigingen, zich moeten bekommeren om allerlei zaken buiten het sportieve. En laat dat voor de meeste vrijwilligers nou nét niet de reden zijn waarom ze vrijwilliger bij een club zijn geworden. Vrijwilliger zijn wordt ingewikkelder, betekent meer verantwoordelijkheid en meer gedoe. Het begint ook op werk te lijken. Geen wonder dus dat velen onder hen afhaken of de boot afhouden. Dit zien we in meer of mindere mate om ons heen gebeuren en is een serieuze bedreiging voor onze Nederlandse verenigingscultuur.

Er is ook een oplossing. Misschien gooi ik hiermee een steen in de vijver om de rimpeling die dat veroorzaakt te vergroten. Maar erover nadenken is ook al een begin. Allereerst is het goed om te beseffen dat verenigingen veel meer overeenkomsten hebben dan verschillen. Ook al is het in een heel andere tak van sport en misschien wel sportcultuur. Als je echter overeenkomsten zoekt en benadrukt, kan je verbinden. Zoek je de verschillen, dan draag je bij aan verwijdering. Alle verenigingen hebben leden, trainers en coaches, bestuurders, clubkleuren, vrijwilligers, toeschouwers, sponsoren, tegenstanders, accommodaties, gezelligheid van de 3e helft, contributies, bonden, spelregels en ga zo maar door. Allemaal anders, maar toch hetzelfde.

Daarnaast is het goed om onderscheid te maken tussen besturen en regelen. Bestuurders besturen en vrijwilligers regelen. Besturen (ook vrijwillig overigens) betekent in dit opzicht juist bezig zijn met de langere termijn. De accommodatie, de financiën, de veiligheid, de invulling van de maatschappelijke taken, de regelgeving. De club vijf of 10 jaar verder brengen. Dus ook de contacten met de gemeente, de sportbonden en allerlei maatschappelijke instanties. De vrijwilligers regelen de korte termijn. De wedstrijd- en trainingsroosters, de veldindeling, de kantinebezetting, de materialen en alles wat nog meer nodig is om de leden iedere week te laten sporten. Beide hebben een totaal verschillend takenpakket en vereisen ook heel andere manier van werken. Niet alle vrijwilligers vinden besturen leuk en ook niet alle bestuurders halen voldoening uit geregel en gedoe. Maar beide heb je nodig. Vooral veel vrijwillige regelaars en wat minder besturende bestuurders. Uiteraard wel in verbinding. De één voedt de ander.

Een volgend punt ter overweging gaat over de impact die verenigingen kunnen maken. Het belang van sport, bewegen en de maatschappelijke waarde van verenigingen, staat niet ter discussie. Wat wel een rol speelt, is een verschil in gelijkwaardigheid. Tegenover de professionals van sportbonden, gemeentelijke overheden, sponsorende bedrijven en maatschappelijke organisaties, staat de vrijwilliger van een vereniging. Vaak veel kleiner in omvang, meestal met een wensenlijstje en doorgaans alleen optredend. Aan de andere kant zitten de organisaties die meer oog hebben voor gezamenlijkheid en bredere belangen, al is het maar om te voorkomen dat daarna de volgende sportvereniging voor de deur staat. Dit lijkt niet te matchen en leidt op deze manier ook tot onbegrip en frustratie. Wat echter niet nodig is.

Om terug te komen op de steen in de vijver om anders te denken over succesvolle verenigingen in de toekomst. Wat je absoluut wilt behouden is dat de leden van een vereniging zonder zorgen hun sport kunnen beoefenen. Alles wat geregeld moet worden, wordt geregeld door al die betrokken vrijwilligers. Hiermee is het cement van onze maatschappij geborgd. Hier ging het ooit om en hiervoor zijn verenigingen opgericht. Wat je wel anders kan gaan doen, betreft die vrijwilligers die zich moeten bemoeien met zaken waar ze liever niet over nadenken, het besturen van de vereniging.

Laat het nu zo zijn dat er ook best mensen zijn die dát juist heel aantrekkelijk vinden. Bezig zijn met lange termijn, met gemeenten, met onderwijs, met welzijnsorganisaties, met sportbonden, met bedrijven. Mijn pleidooi is om die twee werelden van besturen en regelen te scheiden. Breng daarvoor in de plaats een bundeling van bestuurskracht van verschillende verenigingen. Die écht veel meer gemeenschappelijk hebben dan men denkt. Zeker als het over de grote meerjarige vraagstukken gaat. De hockeyclub, de voetbalclub en de honkbalvereniging zien dezelfde uitdagingen op zich af komen.

Bundel die bestuurskracht en creëer daarmee impact. Het maakt nogal een verschil of een kleine club met 150 leden tegenover die grote organisaties staat of een vertegenwoordiging van meerdere clubs met duizenden leden in de achterbannen. Met bestuurders die kunnen wedijveren met de professionals aan de andere kant van de tafel. Dat heeft impact. Voor de helderheid. Dit betekent niet een fusie van allerlei verenigingen, maar wel een bestuurlijke samenwerking die een bepaalde vorm krijgt. Verenigingen zijn niet elkaars concurrenten, maar partners die voor de grote vraagstukken professioneel geleid worden. En ook voor de helderheid. Professioneel leiden betekent niet betaald, is ook vrijwilligerswerk.

Dit gedachtegoed is een steen in de vijver, waarvan ik hoop dat het als serieus beschouwd wordt. Het vereist wel anders denken. Niet de “ja-maar-bril” van verwijdering, maar de “ja-en gedachte” van verbinding. En misschien wel een gewaagde sprong in het duister, die gedoe gaat opleveren. Gedoe gaat echter doorgaans over de “hoe-vraag” en niet over het “wat”.  Gedoe gaat bijna altijd over het regelen op korte termijn, omdat de ene persoon net wat andere voorkeuren heeft dan de ander. “Wat” gaat juist over de doelen die je met elkaar hebt, de opdracht van bestuurders. De vereniging met al die grote uitdagingen vijf of tien jaar verder brengen. En die opdracht is doorgaans bij verenigingen nagenoeg identiek, zoals ik beschreef. Leden willen vooral sporten tegen tegenstanders, met deskundige trainers en coaches, in herkenbare kleuren, waar mogelijk met toeschouwers en vooral ook een gezellige 3e helft op een plek waar je je thuis voelt. Dat je daar contributie voor moet betalen en dat er spelregels zijn, maakt ook niet een verschil. De bestuurders zorgen er voor dat deze zaken geborgd worden over meerdere jaren, waar de vrijwilligers deze zaken voor de komende week of maand regelen.

Kortom, deze andere manier van denken maakt het mogelijk om gezonde en vitale verenigingen te behouden in de toekomst. En denk ook eens aan de enorme vrijwilligerskracht van 25.000 verenigingen in Nederland, die dan vrijkomt. Als je daar bestuurskracht weet te bundelen, zijn er misschien wel meer dan 20.000 voorzitters, secretarissen en penningmeesters beschikbaar. At zijn namelijk die vrijwilligers die diep in hun hart ook liever regelaar zijn in plaats van bestuurder.
Beginnen met verschillende verenigingen die op één sportlocatie zijn gevestigd kan het eerste kleine steentje in de vijver zijn.

Dick Bennis
Wethouder Sport, Gemeente Hoorn

,

Geplaatst op: 14 april 2026