Visie & Beleidsplein

Opkomst van stichtingen voor onderhoud van buitensportaccommodaties

Pekelharing, B., & Arko Sports Media (2015). Opkomst van stichtingen voor onderhoud van buitensportaccommodaties. Sportaccom februari.

De verdeling van werkzaamheden tussen gemeente en vereniging is bij de buitensporten meestal gebaseerd op een tweedeling. Bij sporten die door de gemeente worden ondersteund, verzorgt de gemeente de aanleg van de velden en kleedkamers en het onderhoud. Dit geldt vooral voor traditionele buitensporten zoals voetbal, korfbal en atletiek. De sportvereniging huurt het geheel. Kleedkamers waren vroeger ook vaak van de gemeente en onderdeel van de huurprijs. Tegenwoordig zijn ze soms overgedragen naar de vereniging. Bij de huur van de accommodatie hoort meestal dat de verenging ook enige taken voor het onderhoud van de velden voor zijn rekening neemt, zoals het aanbrengen van netten, het kalken van de lijnen en het bladvrij maken van de velden. Ook moet de vereniging zijn eigen kantine onderhouden. Bij sporten die niet door de gemeente worden ondersteund, zoals golf, verzorgt de vereniging de eerste aanleg en al het onderhoud van de accommodatie. De gemeente heeft alleen een faciliterende rol bij het planologische proces. Hockey is een sport die aanvankelijk vooral in de tweede categorie viel, maar geleidelijk steeds meer gelijkgeschakeld wordt met de eerste. Bij tennis is de verhouding gemeente/privaat 30-70. In dit artikel wordt vooral de situatie belicht van buitensportaccommodaties die door gemeenten worden onderhouden. Een bescheiden verkennende enquête onder veertig gemeenten leverde elf reacties op.

Omvang

Ongeveer de helft van de gemeenten geeft aan niet van plan te zijn eigendom of onderhoud van de accommodaties te privatiseren, de andere helft is daar in een of andere vorm wel mee bezig. Deze verhouding werd eerder ook door het Mulier Instituut aangetroffen (Hoekman, 2013), in een enquête onder een representatieve steekproef van 178 gemeenten (totaal 400 gemeenten). Bij de ‘gewikte mogelijkheden’ zien we dat driemaal een SRO-achtige oplossing werd overwogen (of al gerealiseerd), dat in vier gevallen taken naar de verenigingen werden overgebracht en dat in vier gevallen een stichtingsvorm aan de orde kwam. De steekproef is te klein voor betrouwbare uitspraken, vandaar dat de volgende uitspraak als werkhypothese wordt geformuleerd:

  • Een beperkt aantal gemeenten (25-30%) overweegt of realiseert een SRO-achtige constructie.
  • Vrij veel gemeenten (40-50%) verhelderen de afspraken ‘wie doet wat’ en brengen bepaalde takenpakketten direct naar de vereniging.
  • Een beperkt aantal (30%) van de gemeenten stoot grote takenpakketten (met groot onderhoud) af, en dan komen stichtingsvormen aan de orde.

Opkomst van stichtingen voor onderhoud

In de praktijk neemt de gemeente meestal het initiatief tot het afstoten van uitvoerende onderhoudstaken. De redenen daarvoor variëren van pragmatisch ‘zij kunnen het beter’, tot meer principieel ‘de gemeente wil zo min mogelijk uitvoering doen en alleen regie voeren’, of eenvoudig ‘met buiten de deur zetten kunnen we 20% besparen’. De verenigingen die met zo’n initiatief worden geconfronteerd worden, zien een aantal vragen op zich af komen:

  • Welk budget (exploitatie- en/of onderhoudssubsidie) krijgen we daar (eventueel) voor?
  • Hoe gaan we dat organiseren?

In dit onderzoek zijn zes voorbeelden in kaart gebracht. De helft van de onderzochte stichtingen zijn van recente datum (< 3 jaar oud).

Spanning op het budget

Als de gemeente gebruik maakte van het sportbesluit betaalde de gemeente weinig btw, en kon bijna het hele budget voor onderhoud ten goede komen aan de sportaccommodaties*.

In situaties waarin het onderhoud van de gemeente direct wordt overgeheveld naar de vereniging, doen zich enige nijpende issues voor, zoals:

  • Soms draagt de gemeente het onderhoud over aan één partij die de gehele dienstverlening overneemt. Maar vaak wordt het onderhoud ook overgedragen aan meerdere, door vrijwilligers bemenste, stichtingen, die bijvoorbeeld per sportpark zijn georganiseerd. De voordelen van de grote(re) schaal waarop de gemeente werk uitvoerde en inkocht wordt dan bij de overdracht teniet gedaan. De stichtingen die het onderhoud overnemen, moeten dan de onderste steen boven halen om hetzelfde kwaliteit-kosten-niveau te halen.
  • Dan is er nog een belastingtechnisch budgetprobleem. Voor zover er in de nieuwe situatie diensten van buiten worden ingehuurd is er bij de vereniging geen mogelijkheid om de btw te verrekenen. Gemeenten stellen bij een dergelijke overdracht soms hun gehele interne budget beschikbaar, vaak minder. Maar ze stellen nooit méér subsidie beschikbaar omdat er ineens door de vereniging btw moet worden betaald. Bij een overdracht zit dus vaak van begin af aan al spanning op het budget voor het onderhoud.
*Het sportbesluit is een wettelijke regeling waarbij onder bepaalde condities een zeer gematigde (btw) belastingdruk mogelijk wordt gemaakt bij het ter beschikking stellen van sportaccommodaties.

Hoe organiseren we dat?

Vanuit de sportvereniging is de situatie dat men huurt bij de gemeente vrij ideaal. Men heeft te maken met een één partij, die alle verenigingen gelijkelijk ondersteunt, die onder democratische controle staat en waar je via de politiek invloed op kunt uitoefenen.

Als het onderhoud wordt overgeheveld naar één of meerdere stichtingen, is het vanuit de vereniging gezien de vraag of je daar nog wel invloed op kunt uitoefenen.

Daarmee ontstaat een lastig dilemma:

  • Vanuit efficiency en kwetsbaarheid is het verstandig om het onderhoud op een grotere schaal te organiseren. Als daarbij een stichting de velden huurt van de gemeente en ze conform het sportbesluit ter beschikking stelt aan de verenigingen, ontstaat er een sterk verminderde directe invloed op de werkwijze van die stichting. 
  • Vanuit de gewenste invloed van de vereniging op de kosten en kwaliteit van het onderhoud ligt het voor de hand om het onderhoud naar verenigingsniveau te delegeren.

Variatie in taken, schaalgrootte, samenwerking, juridische vorm en feitelijke werkzaamheden 

In dit onderzoek zijn zes stichtingen gevonden die een rol vervullen bij het onderhoud voor meerdere verenigingen. Hiervan worden enkele aspecten nader toegelicht.

1. Variatie in uitvoerende taken (wel of geen operatie)

In gemeente één heeft de stichting een overleg- en regiefunctie voor één sportpark, maar doet de stichting zelf geen uitvoerende werkzaamheden. In alle andere situaties zijn wel uitvoerende taken bij de stichting ondergebracht.

2. Variatie in schaalgrootte

Alle cases zijn geselecteerd op het feit dat ze een schaalgrootte voor onderhoud hebben gekozen die één individuele vereniging te boven gaat.

Bij vier cases gaat het steeds om één stichting per sportpark, en in twee cases is een schaalgrootte gekozen die (ver) boven het sportparkniveau uitgaat met een variatie van 15 tot meer dan 30 velden en 5 tot 15 verenigingen.

Er is (nog) geen stichting aangetroffen die in meerdere gemeenten actief is. Naast deze trend van stichtingen (met vrijwilliger-bestuurders) die het onderhoud doen voor meerdere verenigingen is er een ander verschijnsel van de in een BV verzelfstandigde gemeentelijke afdelingen Sport, die in een enkel geval zelfs gemeentegrenzen overstijgen, zoals bij SRO Amersfoort-Haarlem. Dit artikel focust op de stichtingen en niet op de verzelfstandigde gemeente BV’s.

3. Variatie in samenwerking

Bij de stichtingen zonder operationele taken is het eenvoudig, er zijn geen contracten afgesloten. Het gaat hier meer om een soort lokale Sportraad. Bij de andere stichtingen (en coöperaties) met operationele taken is het eenvoudigste patroon: één huurcontract gemeente-stichting, en één huurcontract per relatie van stichting-vereniging. In sommige gevallen zijn op het sportcomplex behalve de verenigingen ook andere partijen actief. Dan zijn er vanuit de stichting ook contracten met BSO (kinderopvang), fysiotherapeut, sportbond, welzijnsinstelling etc. en/of een contract voor beheer van een sporthal. Multifunctioneel gebruik is vaak goed voor het delen van ruimten en het delen van de daaraan verbonden kosten.

4. Variatie in juridische vorm

In één gemeente is gekozen voor de Coöperatieve Vereniging, in alle andere gevallen voor een stichting. Bij sommige stichtingen is vooraf expliciet toestemming gevraagd aan de belastinginspecteur voor btw-technische aspecten. In andere gevallen dient men de belastingaangifte gewoon in onder de aanname dat een en ander binnen het sportbesluit valt. In één situatie is een conflict hierover in aantocht.

5. Variatie in feitelijke werkzaamheden

De aangetroffen voorbeelden maken duidelijk dat er tussen gemeente, vereniging en stichting, voor wat betreft de kernaspecten (Hoe wordt het groot/klein onderhoud gefinancierd? Wie doet het uitvoerend werk? Wie is verantwoordelijk voor schoonmaak en beveiliging?) veel maatwerkoplossingen worden getroffen.

Trage belastingdienst

De voor dit verhaal gecontacteerde stichtingen maken bij de interviews een vitale indruk; men levert goede diensten aan de betrokken sportverenigingen en rekent daar geen overhead voor.

Meestal heeft de stichting geen personeel en zijn de taken die de verenigingen niet zelf willen doen gecontracteerd bij aannemers. In een enkel geval heeft de stichting wel eigen personeel.

Gemeenten die overwegen soortgelijke stichtingen op te richten, moeten er wel rekening mee houden dat de belastingdienst maar traag antwoord geeft op de vraag of men met de gekozen werkwijze (vastgelegd in statuten en huur- of samenwerkingsovereenkomsten) goedkeuring krijgt voor een mild belastingregime.

Uitgever(s): Arko Sports Media,

Auteur(s)

Klik op de auteur meer artikelen te zoeken van deze auteur.

Bernard Pekelharing
Arko Sports Media

Tags van dit artikel

Klik op de tag meer artikelen te zoeken met deze tag.

groene ruimte
sportaccommodaties
sportvelden
tuinieren